Wat wij geloven

De Bijbel is het Woord van God waarin wij geloven. We geloven in God, de Vader, die alles heeft gemaakt. Hij heeft een doel met onze levens. Hij zond Jezus naar de aarde om te sterven aan het kruis en weer op te staan om te laten zien dat Hij machtiger is dan de dood. Door de opstanding van Jezus is de weg naar God vrij gemaakt, waardoor wij vergeving mogen vragen voor onze zonden.

Wij geloven in:

  • God als Vader, volmaakt goed en liefdevol, schepper van alles wat is, doel en bestemming van mensen.
  • De Bijbel als gezaghebbend het enige, door God geïnspireerde, door mensen doorleefde en gezaghebbende geschrift.
  • Jezus als Verlosser, God en mens tegelijk, die de gevolgen droeg van onze fouten en daarmee onze enige redding is.
  • De Heilige Geest, De Geest van God die mensen overtuigt en vanaf hun bekering vrede, kracht en wijsheid geeft.
  • Eén weg terug. Wie vertrouwt op Jezus’ verlossing mag leven in vrede met God en uitzien naar een eeuwig leven.
  • De kerk. De kerk is universeel, maar het is de lokale kerk waar Christenen aanbidden en groeien.
  • De doop. Door de doop toont een volwassene zijn geloof door zich te identificeren met Jezus’ dood.

Hierin streven wij naar:

Eenheid in wat belangrijk is

Span u in om door de samenbindende kracht van de vrede de eenheid te bewaren die de Geest u geeft: één lichaam en één geest, zoals u één hoop hebt op grond van uw roeping, één Heer, één geloof, één doop, één God en Vader van allen, die boven allen, door allen en in allen is. (Efeze 4:3-6.)

Vrijheid in wat persoonlijk is

Wie bent u dat u een oordeel velt over de dienaar van een ander? Of hij wel of niet volhardt in het geloof gaat alleen zijn eigen meester aan. Ieder van ons zal zich dus tegenover God moeten verantwoorden. Uw overtuiging is een aangelegenheid tussen u en God. (Romeinen 14:4,12,22.)

Liefde als basis en motief

Al had ik de gave om te profeteren en doorgrondde ik alle geheimen, al bezat ik alle kennis en had ik het geloof dat bergen kan verplaatsen – had ik de liefde niet, ik zou niets zijn. (1 Korinthe 13:2.)